Afschaffing van de vereiste van borgstelling door de directe douanevertegenwoordiger

container

Afschaffing van de vereiste van borgstelling door de directe douanevertegenwoordiger

 

Een douanevertegenwoordiger die gebruik wilde maken van de directe vertegenwoordiging om aldus een douaneaangifte in te dienen rechtstreeks in naam en voor rekening van zijn opdrachtgever, diende tot voor kort voldoende zekerheid te stellen voor eventuele toekomstige schulden van zijn opdrachtgever, tenzij die opdrachtgever zelf dergelijke zekerheid kon stellen middels een eigen kredietrekening. Deze vereiste van borgstelling, die totaal in strijd is met het Europees recht en de toepassing van de directe vertegenwoordiging in de praktijk onmogelijk maakte, werd inmiddels afgeschaft bij wet van 25 december 2017 houdende diverse fiscale bepalingen IV.

 

Omzendbrief van 1 juli 2012: borgstelling door de vertegenwoordigde invoerder

Een aantal partijen, ondersteund door hun beroepsverenigingen, heeft destijds bij de Europese Commissie klacht neergelegd tegen de Belgische Staat wegens niet-nakoming[1], meer bepaald omwille van het feit dat het in België niet mogelijk was om douaneformaliteiten te vervullen met toepassing van directe vertegenwoordiging.

 

Onder druk van deze klacht heeft de Administratie der Douane en Accijnzen op 1 juli 2012 Omzendbrief D.I. 530.9 D.D. 312.592[2] “Douaneaangiften met toepassing van directe vertegenwoordiging” uitgevaardigd.[3]

 

Die vorm van directe vertegenwoordiging voorzag o.m. in een borgstelling die kon worden aangesproken voor eventuele navorderingen, te verstrekken door de vertegenwoordigde invoerder middels een eigen weekkrediet op de zogenaamde “klantenrekening”.[4]

 

De oplegging van dergelijke borgstelling is strijdig met het EU recht. De strijdigheid ligt in het feit dat geen borgstelling mag worden geëist voor goederen die voor vrij verkeer worden aangegeven, althans niet wanneer die goederen (wat in meer dan 99 % van de gevallen gebeurt) zonder voorbehoud worden vrijgegeven. Het EU recht verbiedt immers dat de lidstaten welke maatregel ook, van welke aard ook uitvaardigen, die een  belemmering inhoudt, hoe gering die ook mag zijn, aan het vrij verkeer en aan de vrije invoer van goederen. Dat verbod valt onder het verbod van “kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking”.[5]

 

Die met het EU recht strijdige vereiste van borgstelling (die vanzelfsprekend in de omringende landen niet bestond noch bestaat), is de reden waarom de beroepsverenigingen hun leden resoluut hebben afgeraden om gevolg te geven aan die mogelijkheid om op te treden met directe vertegenwoordiging en tegelijk de reden waarom omzeggens geen enkel lid, aangesloten bij die beroepsverenigingen, dat ook heeft gedaan (vanzelfsprekend met uitzondering van de leden die voordien reeds, op de één of andere manier en om reden van bestendige contractuele verhouding, inklaarden op het krediet van hun opdrachtgever).

Wet van 12 mei 2014: borgstelling door de douanevertegenwoordiger

Een reactivatie van de klacht gaf een wetswijziging als resultaat: bij wet van 12 mei 2014[6] werd – eindelijk – onder meer artikel 127 van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen (hierna ‘AWDA’)[7] gewijzigd teneinde directe vertegenwoordiging mogelijk te maken.

 

Evenwel was de Belgische wetgeving nog steeds niet in overeenstemming met de Europese wetgeving. De toepassing van die nieuwe bepalingen had niet alleen een identieke verantwoordelijkheid voor de douanevertegenwoordiger tot gevolg, maar was bovendien in de praktijk totaal onwerkzaam.

 

Dat vloeit voort uit de strijdigheid van de Belgische wetgeving met de Europese wetgeving op twee punten.

Ten eerste is het voor de douanevertegenwoordiger, praktisch gesproken, onmogelijk om de invoerrechten, verschuldigd ingevolge een aangifte bij directe vertegenwoordiging, te betalen op een ander wijze dan via zijn weekkrediet. Waar de EU wetgeving voorziet dat een uitstel van betaling mogelijk moet zijn hetzij per individuele aangifte, hetzij voor een geheel van aangiften (d.w.z. in de praktijk in België per week, via het “weekkrediet”), is in België een individueel uitstel onmogelijk[8]. Een individuele betaling in contanten per individuele aangifte is theoretisch mogelijk, maar vanuit praktisch oogpunt volstrekt onrealistisch.

 

Ten tweede bepaalt het nieuwe artikel 129-2 AWDA dat de douanevertegenwoordiger “voldoende zekerheid moet stellen tot waarborging van de schulden die nog kunnen ontstaan betreffende aangiften waarvoor de directe vertegenwoordiging werd toegepast en voor zover dit niet is gebeurd door de opdrachtgever zelf”. Met andere woorden, dit artikel verplicht de douanevertegenwoordiger om zijn weekkrediet aanspreekbaar te maken voor de eventuele navorderingen die zouden kunnen bestaan tegen de vertegenwoordigde.

 

Die verplichting is strijdig met het douanerecht van de Unie, omdat de betreffende douaneregeling die voor de directe vertegenwoordiging het meest frequent in aanmerking komt, de aangifte in het vrije verkeer betreft. Voor de aangifte in het vrije verkeer dient, in de mate dat de goederen voorbehoudloos worden vrijgegeven, geen enkele zekerheid te worden gesteld. De eis tot zekerheidsstelling voor aangiften die naar het recht van de Unie geen zekerheid vereisen, is evident strijdig met het Unierecht.

 

Bovendien bepaalt artikel 89, lid 3 van het Douanewetboek van de Unie (hierna ‘DWU’)[9] dat indien de douaneautoriteiten eisen dat zekerheid wordt gesteld, deze dient te worden gesteld door de schuldenaar of door de persoon die de schuldenaar kan worden.

 

Overeenkomstig artikel 77, lid 3 DWU is de schuldenaar de aangever. De aangever is overeenkomstig artikel 5, 15) DWU de persoon die in eigen naam een douaneaangifte, een aangifte voor tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij het binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer indient, dan wel de persoon namens wie deze aangifte of kennisgeving wordt ingediend. A fortiori kan de directe vertegenwoordiger noch een aangever zijn in de zin van artikel 5, 15) DWU, noch een schuldenaar zijn in de zin van artikel 77, lid 3 DWU.  

 

Bijgevolg is artikel 129-2 AWDA strijdig met de artikelen van het Douanewetboek van de Unie.

 

Dat artikel 89, lid 3 DWU is overigens niet nieuw. Deze bepaling is identiek aan het voormalige artikel 189, lid 1 van het Communautair Douanewetboek (‘CDW’)[10], zodat artikel 129-2 AWDA reeds strijdig was met de Europese wetgeving op het ogenblik van de invoering ervan in 2014.   

 

Die vereiste van borgstelling door de douanevertegenwoordiger voor eventuele schulden van de vertegenwoordigde, is tot slot ook strijdig met de bepalingen van de Uitvoeringsverordening van het Douanewetboek van de Unie (Verordening 2015/2447[11]). Bijlage 32 aan die Verordening is het geijkte formulier van zekerheidsstelling. Artikel 151.7 van die Verordening bepaalt dat de zekerheidsformulieren die de lidstaten zelf zouden opleggen geen andere verbintenissen mogen inhouden dan diegene die voorvloeien uit het voorgeschreven formulier. Het voorgeschreven formulier bepaalt dat slechts de schulden van de opdrachtgever tot de borgstelling in aanmerking komen voor aanspraak tegen de borg. Het is België dan ook niet toegelaten om aan douanevertegenwoordigers op te leggen dat hun borgstelling aanspreekbaar moet zijn voor schulden van derden.

 

Het is de combinatie van voormelde twee voorwaarden aan de directe vertegenwoordiging, die allebei strijdig zijn met het Unierecht, die verklaart dat douanevertegenwoordigers niet bereid waren om zich aan die voorwaarden te onderwerpen.

 

Wet van 25 december 2017: afschaffing van de vereiste van borgstelling

Een eigenlijke doorbraak inzake de directe vertegenwoordiging werd pas gerealiseerd in april 2017. De logistieke sector en de Centrale Administratie hebben toen een akkoord bereikt omtrent het gebruik van een ‘borgakte plus’ voor het statuut van directe vertegenwoordiging met financiële faciliteiten.

 

Dit houdt in dat de douanevertegenwoordiger zijn kredietrekening ten dienste blijft stellen van zijn klant onder het statuut van directe vertegenwoordiging, maar dat de verantwoordelijkheid van de douanevertegenwoordiger afgebakend wordt tot het moment van het afsluiten van het proces-verbaal van verificatie met betrekking tot de betreffende aangifte. De douanevertegenwoordiger kan met andere woorden niet langer aangesproken worden in betaling van schulden die nadien zouden kunnen ontstaan.

Het is slechts sinds deze belangrijke ontwikkeling dat kan worden gesproken van een reële mogelijkheid tot directe vertegenwoordiging, onder voorwaarden die in de praktijk werkzaam zijn.

 

Artikel 129-2 AWDA, dat ingevoegd werd bij wet van 12 mei 2014 en dat de kredietrekening van de directe vertegenwoordiger ook aanspreekbaar maakte voor eventuele navorderingen die zouden kunnen bestaan tegen de vertegenwoordigde, was vanzelfsprekend onverenigbaar met het gebruik van deze ‘borgakte plus’. Dit artikel werd inmiddels dan ook opgeheven bij wet van 25 december 2017 houdende diverse fiscale bepalingen IV.[12]

 

De memorie van toelichting bij het wetsontwerp[13] maakt onmiddellijk duidelijk dat het bewuste artikel 129-2 AWDA werd afgeschaft omwille van de strijdigheid met artikel 89, lid 3 DWU, op grond waarvan geen zekerheidsstelling mag worden geëist van de douanevertegenwoordiger voor schulden van derden.

 

 

[1] Klacht nummer CHAP(2010)03090 d.d. 28 september 2010.

[2] Deze omzendbrief is beschikbaar op ‘Fisconet’ (website van de Federale Overheidsdienst Financiën). 

[3] Zie desbetreffend: M. Cornette, “Directe vertegenwoordiging voor de douane-expediteur, de doorbraak”, AFT 2013/4, p. 35.

[4] Zie Omzendbrief D.I. 530.9 D.D. 312.592, punt 14.

[5] Zie desbetreffend : K. Lenaerts en P. Van Nuffel, Europees recht, 2011, p. 149, n° 195.

[6] Wet van 12 mei 2014 tot wijziging van de algemene wet inzake douane en accijnzen en houdende diverse bepalingen, BS 20 juni 2014 (ed. 4).

[7] Algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, BS 21 september 1977.

[8] Dienstinstructie D.I. 533.0 “Douaneschuld” verduidelijkt op p. 77 zonder meer, met betrekking tot artikel 226 a) CDW, dat betrekking heeft op het uitstel van de individuele douaneschuld (thans vervat in artikel 110 a) DWU): “Deze bepaling is niet van toepassing in België.”

[9] Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (herschikking), Pb. EU, L 269/1 van 10 oktober 2013.

[10] Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.

[11] Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, Pb. EU, L 343/558 van 29 december 2015.

[12] BS 29 december 2017, 116416. Zie artikel 25 van die wet (in werking getreden tien dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad).

[13] Wetsontwerp van 24 november 2017 houdende diverse fiscale bepalingen IV, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-2792/001, p. 22-23.

Fachbereich
Rechtsanwält(e)