GROTE VERANDERINGEN OP KOMST IN HET VENNOOTSCHAPSRECHT

WVV

GROTE VERANDERINGEN OP KOMST IN HET VENNOOTSCHAPSRECHT

Op 20 juli van dit jaar werd het Voorontwerp van wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna “WVV”) gestemd ter vervanging van het huidige Wetboek Vennootschappen en de VZW-wet. De vraag naar werkelijk efficiënte en flexibele vormen voor de Belgische vennootschappen en verenigingen alsook de Europese harmonisatie-evolutie hebben tot deze vereenvoudigende hervorming geleid. De krachtlijnen van het WVV worden hieronder uiteengezet.

 

Hoewel gemeenschappelijke bepalingen voor vennootschappen en verenigingen worden ingevoerd, zal een formeel onderscheidingscriterium blijven bestaan namelijk het al dan niet verboden zijn van winstuitkering. Ook al zullen een vzw en een stichting in het WVV beschouwd worden als een onderneming en mogen zij dus onverkort handelsdaden stellen en bijgevolg winst realiseren, dan nog blijft het voor hen verboden winst uit te keren aan hun leden. Nieuw is dat de vzw en de stichting ook onder de WCO- en faillissementswetgeving zullen vallen.

 

Het begrip “onderneming” wordt verruimd doordat er sprake is van een onderneming zodra een economische activiteit wordt uitgeoefend. Het onderscheid tussen een burgerlijke en een handelsvennootschap wordt dus afgeschaft. Het uitoefenen van een vrij beroep is geen onderscheidingspunt meer. Concreet zal dit ertoe leiden dat alle Nacebel-codes (KBO) open komen te staan voor elke vennootschap en dat ook huidige niet-handelaars failliet kunnen gaan.

 

Een vennootschapsvorm kiezen zal in de toekomst makkelijker worden doordat het WVV slechts in vier vennootschapsvormen en één vereniging voorziet. De vereniging zal wel nog enkele varianten kennen, te weten de vzw, de internationale vzw en de stichting. Indien de cliënt een personenvennootschap verkiest, dan is er enkel nog een maatschap. Er is geen nood meer aan een tijdelijke of stille vennootschap aangezien de maatschap in de toekomst stille vennoten kan hebben en duurzaam of tijdelijk kan zijn. Onder bepaalde vormvoorwaarden zal de maatschap toch (onvolkomen) rechtspersoonlijkheid kunnen verwerven en alzo de rechtsvorm van een vof (geen stille vennoten) of een gewone commanditaire vennootschap (wel stille vennoten) aannemen. Het verwerven van rechtspersoonlijkheid zal steeds leiden tot een handelskarakter.

 

De cvba, die in de toekomst slechts twee – en geen drie – oprichters vereist, blijft voorbehouden voor vennootschappen die met een coöperatieve gedachte functioneren. Bij gebrek aan zulke gedachte zal de valse of oneigenlijke cvba richting een bvba geduwd worden. Dit is mogelijk door de grotere flexibiliteit in de bvba.

 

Ook de nv ondergaat wijzigingen. Waar deze vroeger de verplichte vennootschapsvorm was voor de beursgenoteerde vennootschappen zal dit in de toekomst niet meer gelden. Een genoteerde vennootschap zal niet meer verplicht de vorm van een nv moeten aannemen, maar kan ook een bvba zijn.

 

Het huidig gebrek aan ontslagbescherming voor bestuurders zal veranderen doordat (zelfs statutaire) bestuurders niet noodzakelijk meer ad nutum afzetbaar zullen zijn en bijgevolg ontslagbescherming kunnen genieten d.m.v. een opzegtermijn of –vergoeding. De organen van dagelijks bestuur en directiecomité worden eveneens afgeschaft. Een facultatief duaal bestuursmodel (directieraad en raad van toezicht) wordt ingevoerd naar analogie met de Europese Vennootschap.

 

De grootste hernieuwing in de vier overblijvende vennootschapsvormen situeert zich in de bvba, die gezien wordt als de nieuwe norm, waar overigens niet meer gesproken wordt van “zaakvoerder”, maar van “bestuurder”. Deze wijzigingen inzake de bvba vormen het voorwerp van een apart artikel.

 

Last but not least wordt ook het aanknopingspunt in het internationaal privaatrecht gewijzigd.  De werkelijke zetelleer (voornaamste vestiging) wordt verlaten en de incorporatieleer (statutaire zetel) wordt de regel. Hierdoor zal het perfect mogelijk zijn om een buitenlandse onderneming een Belgische rechtsvorm te laten aannemen en vice versa. Aansluitend wordt ook een procedure voor internationale zetelverplaatsing voorzien. Concreet leidt dit ertoe dat een Belgische vennootschap die haar maatschappelijke zetel naar het buitenland verhuist onder dat buitenlandse vennootschapsrecht zal vallen en niet langer onder het Belgische recht. Dit geldt dus ook als het hoofdkwartier en de belangrijkste vestiging nog in België gelegen zijn.

 

Tot slot zijn er nog enkele opmerkelijke aanpassingen van de basisprincipes waaronder de opheffing van het verbod op vrijstelling aan verliesdeelname (zogenaamde “leeuwenbeding”) en de beperking van de bestuurdersaansprakelijkheid.

 

De overgangsmaatregelen voorzien erin dat vennootschappen en verenigingen/ stichtingen een overgangsperiode van respectievelijk vijf en tien jaar vanaf de inwerkingtreding krijgen ten einde hun statuten aan te passen. Bij gebrek hieraan volgt een omzetting van rechtswege. Zo zal een Comm.V. omgezet worden naar een nv en een cvoa naar een vof.

 

Kortom, de vennootschapsrechtelijke gevolgen voor de cliënt zijn duidelijk niet min door deze grote stap naar modernisering. Een doorgedreven vereenvoudiging, een verregaande flexibilisering mits bescherming van derdenbelangen en nieuwe rechtsregels zoals ‘mobielere’ vennootschappen zijn de drie grote krachtlijnen van het nieuwe vennootschapsrecht. Het is nu wachten op het advies van de Raad van State. Als alles volgens schema verloopt, zal het WVV begin 2018 in werking treden. Elegis houdt uiteraard de vinger aan de pols.

 

 

Laura Beeckman

Christoph Hanssen

Annemie Coox